De IJslanders zijn nakomelingen van de Vikingen, vermengd met Schotse en Ierse immigranten.
Onder de buitenlanders wordt de grootste groep gevormd door de Denen.
Maar 18% van de totale oppervlakte van het eiland is bewoond, met name de zuid- en de westkust.
Ongeveer 10% van de IJslanders woont op het platteland en de rest woont in steden en dorpen.
54% van de bevolking woont in Reykjavik en omgeving.
De grootste steden zijn de hoofdstad
Reykjavik (108.820 inw.), Kapavogur (16.832 inw.), Hafnarfjardur (16.107 inw.) en Akureyri (14.665 inw.)
Op IJsland is er godsdienstvrijheid.
De Nationale Kerk van IJsland, de Evangelisch-Lutherse Kerk of de Volkskerk, waartoe 93% van de bevolking behoort, is de staatskerk.
Het land vormt een bisdom.
Er is naast de staatskerk nog een tiental kleine protestantse afsplitsingen.
1% van de bevolking is rooms-katholiek.
IJsland heeft een parlementaire democratie met een
gekozen president als staatshoofd.
De president van de republiek wordt gekozen voor vier jaar. Het presidentschap is een meer ceremoniële functie en heeft
weinig invloed in partijpolitieke zaken. De president benoemd de ministers en heeft een beperkt vetorecht in zaken van wetgeving.
Het parlement (Althing) bestaat uit 63 voor vier jaar gekozen leden. De leden worden gekozen volgens een districtensysteem.
Alle mannen en vrouwen van boven de 18 jaar hebben kiesrecht.
Bestuurlijk is IJsland ingedeeld in 23 districten.
De officiële taal is het IJslands, een verbastering van het Oud-Noors.
Het IJslands is een Germaanse taal die in de loop der eeuwen nauwelijks veranderd is.
Hoewel er wel buitenlandse invloeden merkbaar zijn, zijn de schrijftaal en de spraakkunst meestal hetzelfde gebleven.
De geïsoleerde ligging en het kleine aantal inwoners zijn natuurlijk van groot belang hierbij.
Het enige wat wel sterk veranderd is, is de taalklank. Opmerkelijk is verder dat in het IJslandse alfabet nog letters voorkomen
die elders in Europa allang verdwenen zijn.