De IJslandse economie is grotendeels afhankelijk van de visserij en de visverwerkende industrie.
Deze sector neemt ca. 72% van de uitvoer voor zijn rekening. De uitbreiding van het visgebied van 4 naar 200 mijl leverde
in het verleden vaak problemen op met het buitenland. Met Engeland leidde dit in de jaren zeventig tot twee echte kabeljauwoorlogen,
waarbij zelfs de diplomatieke betrekkingen werden opgeschort. De economie is echter erg gevoelig voor de veranderingen van de visprijzen
en de overheid probeert dan ook de economie een bredere basis te geven, o.m. door het aantrekken van buitenlandse industriële bedrijven.
Grote verwachtingen worden gekoesterd ten aanzien van de ontwikkeling van het enorme potentieel aan waterkracht.
Hoewel het land al vrij lang met een grote inflatie te kampen heeft, vertoond de economie een gestage groei en is de werkloosheid laag.
Door de natuurlijke omstandigheden en de geografische structuur is slechts een klein deel van het oppervlak geschikt voor akkerbouw,
waar voornamelijk aardappelen, suikerbieten en kool geoogst worden. Rond Reykjavik is een uitgebreide glascultuur, die gevoed wordt
door heetwaterbronnen en die bloemen, tomaten, druiven, komkommers en verschillende zuidvruchten oplevert.
De veehouderij speelt een belangrijke rol en omvat rundveehouderij (voor de melkproductie) en schapenteelt voor het vlees en de wol.
Het land kan in de eigen behoeften aan vlees- en melkproducten voorzien. Wel propageert de overheid bebossing op grote schaal
om bodemerosie te voorkomen. De visserij, die door een zeer modern uitgeruste vloot wordt bedreven, richt zich vooral op de kabeljauw- en haringvangst
en in mindere mate op de krab-, kreeft- en schelpdierenvangst. De kabeljauw wordt ingevroren, gezouten of gedroogd en is voornamelijk voor de export bestemd.
De haring wordt voornamelijk tot vismeel en visolie verwerkt. Midden jaren tachtig verbood IJsland onder druk van internationale milieuorganisaties de
commerciële walvisvangst.
De visverwerkende industrie, de koelhuizen en de conservenfabrieken voor vis vormen de belangrijkste groep van de industriële sector.
Verder zijn er nog een Zwitsers aluminiumbedrijf, een kunstmestfabriek en een cementfabriek.
De visserij heeft veel kleine industriële toeleveringsbedrijven aangetrokken, zoals scheepswerven en fabrikanten van scheepsbenodigdheden
en -uitrustingen en een verpakkingsindustrie. Ook is er wat textielindustrie, terwijl de fabricage van plastic sterk toeneemt; ook de verwerking
van wol en huiden wordt steeds belangrijker.
Energie in de vorm van elektriciteit wordt voor ca. 97% geleverd door waterkracht.
De elektriciteitscentrales worden geëxploiteerd door de National Power Company, een deels staats-, deels particuliere onderneming.
Geothermische energie in de vorm van heet water en stoom voorziet Reykjavík en omgeving van heet water voor huishoudelijk gebruik en verwarming.
Uitgevoerd worden o.a. vis en visproducten, aluminium, en kunstmest. Voornaamste handelspartners zijn: Groot-Brittannië, de Verenigde Staten, Duitsland, en Japan. Ingevoerd worden: machines en apparaten, aardolie, transportmiddelen, drank en tabak. Belangrijkste partners zijn: Groot-Brittannië, Duitsland, Denemarken, Zweden en Noorwegen.
Belangrijk voor het binnenlands verkeer is de kustscheepvaart, omdat alle steden en dorpen aan de kust liggen en ijsvrije havens hebben.
Ook voor de vrachtverbindingen met andere landen is de scheepvaart van groot belang.
De belangrijkste haven is Reykjavík. Er zijn twee internationale privéluchtvaartmaatschappijen: Icelandair en Eagle Air.
Bij Reykjavik ligt een internationale luchthaven. Verder zijn er bijna honderd kleine vliegvelden, belangrijk voor binnenlands personenverkeer.
Het wegennet (12.500 km) is voornamelijk aan de kust te vinden en door de weersomstandigheden maar enkele maanden per jaar begaanbaar.
Een spoorwegnet is er niet.